Mississippi

"Laten we de camera even zitten?" Ik doe de koffer dicht en we stappen de straat over. Links en rechts kijken mannen ons aan. We lopen door, gaan de kruidenier binnen en kijken rond. Buiten een handvol appels, wat sla en een hoop uitgedroogde appelsienen ligt er weinig vers. We vragen de man aan de kassa of de baas er is. "Hij is even verderop een paar rekeningen gaan betalen. Over een uurtje is hij wel terug." "Is de buurt ok?" vragen we. "Zeker," zegt hij, "helemaal cool."

Cool was niet meteen het woord dat in me opkwam toen we Tchula binnenreden. Een piepklein stadje in de Mississippi delta, straatarm en, buiten de apotheker en zijn vrouw, pikzwart. De meeste mannen lopen er in vuile, soms gescheurde kleren rond. Of zitten. Of staan. Veel jonge gasten met donkere hoodies en baggie pants. En stuk voor stuk, jong en oud, getekende gezichten. Overal waar we gaan worden we nagestaard. Bijzonder confronterend, is het. Niet dat aangestaard worden. Maar dat ongemakkelijk gevoel. Op amper 1500 km van huis voel ik me plots heel erg blank en zien zij er plots heel erg zwart uit. Een ergelijk rotgevoel dat door iets te gemakkelijke clichés gevoed wordt.

De eerste man die we aanspreken ziet er poeslief uit. Een gewone jeansbroek, een licht jasje en gele pet. Hij is van Chicago, zegt hij met een zuiders accent. Nog $15 en hij kan een busticket naar huis kopen. We futselen een paar quarters uit onze zak en vragen of hij iemand kent in de buurt die obees is. Dat hebben we nodig. We zijn naar Mississippi gekomen om daar een verhaal over te maken. Hier staan we dan, in een van de armste stadjes in de dikste county van de dikste staat in het dikste land ter wereld. De man loopt met ons mee naar een huis. Hij kent de vrouw die er woont omdat hij soms sigaretten van haar koopt. No luck. Ze heeft te veel pijn. Onze man komt buiten met een sigaret en zegt ons dat het niet zal lukken. Hij blijft nog wat dralen en loopt dan door.

Nog altijd worden we aangekeken. Nog altijd voel ik me ongemakkelijk. Nog altijd heb ik datzelfde rotgevoel.

Een groepje kinderen iets verderop loopt onze richting uit. Zij kunnen ons wel helpen, denken we. De oudste jongen van de groep wijst naar een huis waar we wat mensen voor zien zitten. "Chris! Zij woont daar." We lopen er naartoe en vragen of Chris er is. Een magere, schele man van een jaar of 50 staat op en loopt zwijgend naar binnen. Even later stapt een forse vrouw buiten en mompelt ons iets toe. We vertellen haar dat we een verhaal maken over eten in Mississippi. Er zijn directere manieren om iemand uit te leggen dat je een stuk maakt over obesitas, maar dat leek ons op dat moment niet de beste strategie.

Chris -eigenlijk Christel, zo bleek ze ons toe te mompelen- vindt het best dat we haar filmen. We lopen haar huis binnen, nog steeds zonder camera, en worden min of meer aan iedereen voorgesteld. Christels zoon en dochter, haar twee meisjes, een neef, haar oom -de magere, schele man- en nog een paar mannen van wie we niet begrijpen wie ze zijn. "Morgen koken we, ja." zegt Christel. Ze ziet er verdwaasd uit. Drank? Drugs? Medicatie? Een van de mannen, Christels neef, denk ik, wauwelt een lijst af van alle mogelijke zuiderse schotels. Soul food, noemen ze het. Zijn twee bovenste snijtanden ontbreken. Achter zijn glazige ogen schuilt een verhaal dat niet meer verteld kan worden. We spreken af dat we de volgende dag rond een uur of 3 langskomen om te filmen tijdens het koken. Het is allemaal best.

Ik ben blij dat we onze moed bijeen geraapt hebben om met Christel te praten. Haar verhaal is er een dat weinig naar buiten komt. Het rotgevoel heeft plaatsgemaakt voor voldoening.

De volgende dag rijden we Tchula binnen en zetten de auto naast het politiegebouw. Ik doe de rugzak waar mijn camera in zit aan en we lopen nog even naar de winkel om taco's en chocola. Christels zoon wou dat voor ons op de barbecue  klaarmaken. We lopen naar haar huis. Haar zoon staat buiten onder het afdak. We geven hem de zak met tacos en chocola. Hij wijst naar de barbecue en haalt z'n schouders op. Het regent. "Mogen we binnen?" vragen we. "Natuurlijk." zegt hij. We duwen de deur open. De enige die naar ons omkijkt is een man die er gisteren niet bij was. "Wie zei dat jullie binnen mochten?" Christel bedaart de man. Ze ziet er goed uit. De dag ervoor leek ze op een andere planeet te zitten. Vandaag is ze alert. Iedereen trouwens. "Vandaag koken we niet." zegt ze. Een van de platen op het fornuis ziet er roodgloeiend uit en lijkt het tegendeel te beweren. "Da's onze verwarming. We koken niet meer, hoor."

Het enthousiame van de dag ervoor lijkt helemaal uitgeblust. We proberen nog wat, maar uiteindelijk verliest die ene man zijn geduld en wijst naar de deur. "Bedankt." We lopen aarzelend naar buiten en proberen nog wat met hem te praten. "Waar staat jullie auto?" vraagt hij. "Daar." zeg ik en ik wijs naar onze auto. "Zo, jullie staan bij de politie? Wel wel. Daag hoor. En jullie hoeven niet meer terug te komen."

Ondertussen is het 5 uur en moeten we er weer vandoor. Geen verhaal kunnen maken. Geen voldoening. En toch weer wel.