Alaska

Het is begin juni. We vliegen vanuit hoofdstad Anchorage naar Barrow, de meest noordelijke stad van de VS, en zonder vliegtuig niet te bereiken. We zijn helemaal naar hier gekomen om een verhaal te maken over olie. Shell wil die uit de zee halen die aan Barrow ligt. Blijkbaar veel eenvoudiger dan op andere plekken in zee. Behalve dat het de arctische zee is. Met onvoorspelbaar ijs en veel wind. Het boren zou de trekroute van walvissen en andere dieren in de war brengen en dus is Barrow er helemaal verdeeld door: de mensen die er brood in zien en de walvisjagers, want die zijn er hier veel. Die zomer hoopt Shell nog een aantal testboringen doen. De laatste vergunningen kunnen elk moment in de bus vallen dus willen we nog net op tijd bij de voorbeschouwing zijn. 

De aankomsthal is niet meer dan een kleine hangar. Je ziet aan de grijze gezichten van de vliegveldbewaking dat de TSA haar mensen daar een post heeft aangewezen. Het zal je maar gebeuren. Wij, aan de andere kant, vinden het ongelooflijk spannend. We lopen als kleine kinderen de kou in. Nadat we de euforie uit onze ogen hebben gewreven, ziet het er vooral duf en grijs uit. Asfalt heb je hier niet. Wegen worden voortdurend verhard met enorme walsen, met als gevolg dat de hele stad onder een laag stof ligt.

Onze huurauto pikken we 100 meter verder aan de overkant van de straat op, en we rijden door naar het hotel. Top of the World, zo heet het. Het is een soort van verstevigde, houten paalwoning waar een opgezette ijsbeer in een glazen bak elke klant toewuift. Ik krijg een kamer met uitzicht op zee. Je ziet niet meer dan een witachtige massa achter een lichtgrijze strook achter een donkergrijze weg, maar ik ben oprecht gelukkig met het uitzicht. Even uitpakken en dan iets eten. Het is al laat, denk ik. Naar buiten kijken heeft geen zin want het licht gaat hier boven de poolcirkel de komende maanden niet uit.

Naast ons hotel is een restaurant. Pepe's doet een verdienstelijke poging om zo authentiek Mexicaans als mogelijk te zijn. Buiten een koppel aan een tafeltje in de hoek zijn wij met z'n drieën de enige klanten. Fran Tate runt de zaak. In de jaren 80 is ze twee avonden op rij op Johnny Carsons talkshow geweest, een eretitel die ze met smakelijk plezier bovenhaalt. Elke nieuwe gast van Pepe's moet het gastenboek tekenen en krijgt als beloning een stuk papier waarop staat dat ie levenslang lid is van de Arctic Circle Club. Een beetje goedkoop als je het bekijkt van aan de onderkant van de poolcirkel, maar ik ben er stiekem verdomd trots op.

Omdat we hier amper twee dagen zijn, besluiten we meteen na het eten wat te gaan filmen. De eerste halte is aan de speeltuin om de hoek. We zien een tiental kinderen, ik schat tussen 6 en 14 jaar, op de schuifaf en het basketbalpleintje. Met bal. Ik kijk op de klok in de auto: half twaalf. Best wel laat. Ik neem een paar beelden en we rijden verder. Bij de volgende stop komen we aan de plek die ook op onze net verworven clubkaart staat: een indrukwekkende constructie van walvisbeenderen, rechtopstaand in een soort koepel die mij met de dramatische, lage zon in de achtergrond de mond toesnoert. Een prachtig, verdovend zicht dat mij er fijntjes aan herinnert dat er hier andere krachten spelen. De energie van de arctische zomer is behoorlijk sterk, al word ik plots overvallen door het gebrek aan energie in m'n eigen lijf. We ronden onze verkenningstocht op mijn aandringen iets sneller af en een half uurtje later donder ik neer op wat in m'n hotelkamer het meest op een bed lijkt.

Ontbijten doen we weer bij Pepe's. Ik neem een stevige schotel want het belooft een lange dag te worden. Dat en een walvissenfestival na de middag. Barrow viert het einde van de jacht met soep en mikiaq: walvisvlees dat twee weken in bloed ligt te rijpen. Ik ben die ochtend nog niet onmiddellijk in staat om te bepalen of mijn gedomesticeerde maag dat aankan dus ik ga voor een grote bak bonen met rijst en gebakken ei.

Even later ontmoeten we onze gids, Rosemary. Barrow leeft op een ander ritme, dus is het handig om iemand te hebben die onze gestructureerde aanpak kan vertalen naar afspraken die iets opleveren. Rosemary vertelt ons over de walvisjacht van de Inupiat, het volk van de North Slope Borough. Volgens haar mag ik niet jacht zeggen. Ze vertelt ons dat de walvissen zich aanbieden. Als je de boten bekijkt waar ze het mee moeten doen, geloof je haar best. Ze zijn maar de helft zo groot als de beesten die ze vangen. Elke crew heeft een specialist aan boord die naar het ijs luistert. Hij kan met indrukwekkende precisie voorspellen hoe het ijs zich voortbeweegt, om te vermijden dat ze zich ergens vastvaren. De hele jacht ziet er voor het ongetrainde oog uit als overgeromantiseerde traditie, maar in werkelijkheid is het een uitgekiende operatie waarin elke individuele fout de hele groep in gevaar kan brengen.   

Rosemary neemt ons mee naar Captain Joe. Hij en z'n crew zijn walvisjagers. Joe bewaart het walvisvlees in een ijskelder. Zijn grootvader had die 60 jaar geleden zelf uitgegraven. In de hut bovenop de kelder liggen een hoop rendiervellen en wat dode ganzen. Hij haalt de plank van het keldergat en ik mag naar beneden om het vlees te filmen. Met een klein lampje probeer ik wat bij te schijnen. En dan zie ik dat ik echt ik een uitgehouwen stuk ijs zit. De wanden glinsteren aan alle kanten en het vlees blinkt van de olie. Een fantastisch zicht (schitterend, if you will). Boven staan Joe en z'n neef me apetrots aan te kijken. Dit jaar was een goed jaar. Net buiten de hut liggen de baleinen van de laatste vangst. Eenmaal boven neem ik er gauw een paar beelden van. Joe en z'n mannen moeten er snel vandoor. Zij zijn vanmiddag eregast op het walvisfeest.

We hebben eerst nog een paar afspraken. Een met de burgemeester en een met de oud-burgemeester. Beide zijn ze niet erg gelukkig met de komst van Shell. De oude heeft jarenlang met hen rond de tafel gezeten. Auteur Bob Reiss heeft er zelfs een boek over geschreven: The Eskimo and the Oil Man. Het vertrouwen tussen de twee partijen is the Eskimo echt zoek. De huidige burgemeester vraagt zich vooral af of het de stad wel iets zal opleveren. En beide vrezen ze voor de natuur. Voor de walvissen. En dus, voor hun mensen. Shell meent het wel. Net buiten de stad staan er barakken die plaats moeten bieden aan zo'n 200 man. Hoe ze daar allemaal moeten leven is me niet duidelijk. Ik probeer er me iets bij voor te stellen als ik buiten sta en er wat beelden van neem, maar mijn denkvermogen moet plaatsruimen voor een primaire drijfveer. De angst voor de ijsbeer. Net voor ik uitstap wijst Rosemary me er fijntjes op dat ik best goed rondkijk terwijl ik film. De beesten kunnen plots achter je opduiken, zo zegt ze. Ik geloof haar graag. 

Het walvisfeest. Aan het einde van het jachtseizoen, twee keer per jaar, mag één crew hun boot aan land duwen. Een grote eer die deze keer voor Captain Joe en zijn team is. Op de plek waar de boot aan land komt, staan zo'n 100 mensen hen op te wachten. De soep is opgewarmd, de mikiaq goed rot, het feest kan beginnen. Wie in het hoge noorden een walvis vangt, moet hem delen. Een mooie traditie die gelukkig voor veel Barrowers in stand gehouden wordt. En wij, wij mogen ook. Ik sta bij een oude vrouw aan een lange tafel die haar portie mikiaq met een sikkeltje versnijdt. Ze biedt me een stuk aan en ik spring nagenoeg achteruit. Mijn avontuurlijke kant gaat duidelijk niet door m'n maag. De vrouw haalt haar schouders op en eet rustig verder. We praten nog even met Joe aan z'n boot. Hij maakt zich zorgen. Wat als het misloopt met de boringen? Wat als het gedreun van de boringen de dieren wegjaagt? Of de migratie verlaat? Of vervroegt? Een opschrift even verderop verwoordt het treffend: "Save the whales... for dinner".

De dag erna vertrekken we. We nemen afscheid van Rosemary, van de ijsbeer en van de grote, witte ijsvlakte. Barrow is een bevreemdende plek. Ik hou er wel van. Zonder twijfel omdat ik de mogelijkheid heb om op een vliegtuig ver hiervandaan te vliegen. De enige ontspanning is die ene bingo avond per week. En twee keer per jaar vieren ze de walvisjacht. De mensen proberen zo hard mogelijk aan hun eeuwenoude cultuur vast te houden, maar de realiteit is onwaarschijnlijk hard: overleven of niet. De verdeeldheid in de stad is groot. 

En Shell? Die hebben het voorlopig opgegeven. Een van de twee booreilanden waar ze in de zomer testboringen mee hebben gedaan is op de terugweg losgeraakt van de sleepboot en een paar dagen op drift geweest. Door de schade van wind en water is het booreiland nu op weg naar Azië voor herstellingen. De Amerikaanse regering heeft ondertussen beslist dat boren naar olie in de arctische zee toch maar niet voor meteen hoeft te zijn. Bob Reiss' boek verdient in ieder geval een nieuw hoofdstuk.