’Ik kan mijn zoon toch niet verstoten’

’Ik ben het echt niet eens met hem, maar het blijft mijn kind.’ Sophie heeft een 19-jarige zoon die zeven maanden geleden naar Syrië is vertrokken. Haar vriendin Chantal zag haar 25-jarige zoon twee jaar geleden met de eerste golf Syriëstrijders vertrekken. Beide vrouwen willen enkel op voorwaarde van anonimiteit praten.

Sophie en Chantal zijn twee Brusselse moeders. Sophie is bekeerd moslima, getrouwd met een Marokkaanse Belg. “Mijn zoon praktiseerde als hij er zin in had, net als de meeste jongens van zijn leeftijd. Zijn radicalisering ging zo snel dat ik het bijna niet doorhad.” Chantal was getrouwd met een Afrikaanse man, beiden zijn katholiek. Haar zoon bekeerde zich tot de islam op zijn veertiende. “Een jaar voor zijn vertrek begon hij Arabisch te leren, hij heeft zijn reis echt voorbereid.”

De weg naar de jihad was verschillend voor de twee jongens, maar vandaag blijven hun families even verweesd achter. Met de oprichting van een vzw willen de twee vrouwen onder meer een houvast geven aan ouders van jihadisten. ‘A toutes les personnes concernées’, wat zoveel betekent als ‘Iedereen is betrokken’, is een vzw die ouders, familie en vrienden van Syriëstrijders wil samenbrengen. Rond het probleem van vertrekkende en teruggekeerde jihadisten bestaat nog een groot taboe. De vzw wil dat doorbreken.

”In het begin waren we maar met twee”, zegt Chantal. “De beste vriend van mijn zoon was omgekomen tijdens gevechten in Syrië. Zowel voor mij als zijn vader was dat een enorme klap. Door naar elkaars verhalen te luisteren vonden we veel troost bij elkaar. Van daaruit is de groep gegroeid.”

Vandaag zijn ze met een vijftiental, zowel moeder als vaders, broers en zussen van strijders. Een officiële vzw is het nog niet. De statuten zijn er al, de verplichte maatschappelijke zetel nog niet, dat blijkt omwille van het taboe een iets moeilijkere opdracht.

Preventie

De eerste doelstelling van de organisatie is kristalhelder: preventie. De torenhoge jongerenwerkloosheid speelt enorm. Het is een groot probleem in Brussel, waar ook de meeste vertrekkers vandaan komen. Er is een grote groep die zonder enig perspectief op een beter leven gevaar loopt om meegesleurd te worden in het extremistische discours van de ronselaars.

”Ga maar eens naar de parken in Molenbeek en Laken”, zegt Chantal. “Het zit er vol jongeren die doelloos rondhangen. Ze vinden moeilijk werk en, doordat ze zich daar voortdurend voor moeten verantwoorden, worden ze telkens weer met hun neus op de feiten gedrukt, dat ze op de een of andere manier niet voldoen. Die jongens zijn een vogel voor de kat.”

Sophie treedt haar bij: “De ronselaars zijn vlotte praters. De overheid moet voor een alternatief zorgen, door de samenwerking tussen moskeeën, buurtwerkers en scholen op zo’n manier stimuleren dat de jongeren weer iets te doen hebben.”

Maar het zijn niet enkel de hangjongeren. Sophies zoon studeerde aan de hogeschool, zijn radicale ideeën pikte hij op in een moskee in Molenbeek. “Plots begon hij meermaals per dag te bidden. Hij kleedde zich anders en noemde ons ongelovigen, ook al zijn mijn man en ik moslim. Het hele proces ging ontzettend snel.”

De vzw wil ouders helpen om tekens van radicalisering te herkennen, zodat ze op tijd kunnen ingrijpen. “Want de overheid doet haar werk niet”, klinkt het zuur bij beiden. “Ik heb de politie op de hoogte gebracht van wat mijn zoon van plan was”, vertelt Sophie. “Ze wisten zelfs op welke dag hij zou vertrekken en toch hebben ze niets gedaan.”

Een aantal steden, waaronder Brussel, Mechelen, Vilvoorde en Gent, heeft een specialist in dienst die met de hulp van moskeeën, buurtwerkers en vzw’s de netwerken van ronselaars en radicale jongeren in kaart moet brengen. Sophie en Chantal hebben daar hun vragen bij. “Wij hebben contact met onze kinderen daar, we hebben een netwerk uitgebouwd van mensen die dagelijks met radicalisering hier in aanraking komen, en de overheid laat ons gewoon links liggen.”

”Een tijdje geleden werd ik opgebeld door een Luikse vrouw”, vertelt Chantal. “Haar dochter stond op het punt om naar Syrië te vertrekken. Ze belde me om acht uur ‘s ochtends. We hebben er samen voor gezorgd dat haar dochter niet vertrokken is. Welke overheidsdienst kun je bellen om acht uur ‘s ochtends? Wel, met onze organisatie willen wij in dat gat springen.”

Volgens ruwe schattingen zijn er ondertussen meer dan 400 Belgen naar Syrië vertrokken. “Vandaag zijn er zo’n 90 teruggekeerd. Dat is niet weinig, zegt Chantal. “Die jongens worden na hun terugkeer aan hun lot overgelaten. Een deel komt in de gevangenis of een gesloten centrum terecht, maar wat met de rest?”

”Er zijn jongens bij die vertrekken met het idee dat ze hun onderdrukte broeders gaan helpen,” vult Sophie aan, “maar afhaken als ze merken dat ze wapens moeten dragen. Eenmaal hier worden ze gebrandmerkt als terrorist. Zo’n jongens moet je op de juiste manier omkaderen zodat ze weer de maatschappij in kunnen. Dat kader willen wij creëren, met ouders, opvoeders en psychologen. Want de overheid doet het niet.”

Geen terrorist, wel slachtoffer

De twee moeders willen dat strijders niet als terrorist maar als slachtoffer worden behandeld. Natuurlijk zijn er jongens met bloed aan hun handen, en die moeten op gepaste wijze aangepakt worden, geven ze toe. Maar waar het hen om gaat zijn de jongeren die helemaal gebrainwasht ten strijde trekken.

”Ik heb geregeld contact met mijn zoon via chat”, zegt Sophie. “De ene keer is het een gesprek tussen moeder en zoon, de andere keer lijk ik wel met een robotversie van hem te praten. Je merkt heel goed dat ze hem dan in het oog houden.”

Beide vrouwen hebben maar een handvol mensen verteld over hun zoon. “Mijn eigen vader weet het niet”, zegt Sophie. Toch is de tol op het gezin van een vertrekker ontzettend zwaar. “Toen mijn zoon vertrok, is mijn dochter in een depressie gesukkeld”, vertelt Chantal. “Ze stopte met studeren en is naar Frankrijk gevlucht, naar een vriendin. In een mum van tijd is ze 50 kilo bijgekomen.” Ze noemt het collaterale schade. “Je kunt er niets aan doen,” geeft Sophie toe, “behalve proberen te aanvaarden dat het zijn keuze is. Elke dag moet ik in de spiegel kijken, maar ik kan mijn eigen kind toch niet verstoten?

’Wij moesten ons dubbel zo hard bewijzen’

’De ‘Marokkanenklas’ is afgestudeerd! Proficiat!’ Even slikken bij zo’n Facebookbericht, maar de klas van het Brusselse Maria-Boodschap ziet er de humor wel van in. Elf Franstalige jongeren - tien van Marokkaanse en eentje van Somalische origine - hebben hun diploma economie-talen gehaald. Ze vertellen over de moeilijke weg die ze hebben afgelegd.

Het zesde jaar economie-talen van het Maria-Boodschap (MaBo): een twintigtal leerlingen, elf ervan zijn niet van Belgische origine. En Franstalig opgevoed. In de andere klassen waren dat er een pak minder. Het leverde hen die geuzennaam ‘Marokkanenklas’ op. Eigenlijk stigmatiserend, maar dan ook weer niet.”We zijn allemaal van Marokkaanse origine, eentje komt uit Somalië. We zijn echt wel fier op onze afkomst. We voelen ons ook Marokkaans.” Al van in het eerste middelbaar kennen ze elkaar. Ze hadden veel contact, maar zaten niet de hele rit bij elkaar in de klas.Tot afgelopen schooljaar. Iedereen was wel een keertje blijven zitten. Behalve één meisje, Nora. “Zij is de slimste. We noemen haar de geheugenkaart, omdat ze alles onthoudt”, roepen de anderen in koor. Voor de meesten was het een moeilijk parcours in MaBo. Maar niet dit jaar. Dit jaar besloten ze elkaar erdoor te sleuren. Door samen te studeren, samen te werken, elkaars zwaktes aan te vullen met elkaars sterktes en vooral door niet op te geven en te blijven gaan.Saloua: “Als we samen studeerden en ik snapte iets niet, bleven we werken tot ik alles begreep. Soms duurde het lang, tot zelfs twee uur ‘s nachts.” Saloua was niet goed in wiskunde, en Mohammed hielp haar. “Ik schreef dingen uit, maakte kopies en foto’s en mailde dat dan naar iedereen”, zegt hij. “Voor andere vakken, waar ik dan niet goed in was, deed iemand anders het.”Maria-Boodschap ligt pal in het centrum van Brussel. Een Nederlandstalige school met een goede naam. En elk jaar opnieuw zijn er wachtlijsten. Ook ouders die zelf geen Nederlands spreken willen hun kinderen naar een Nederlandstalige school sturen. Want in Brussel zijn die beter dan de Franstalige. En de kennis van het Nederlands is daarbij de beste weg naar succes, denken ouders.”Het is niet makkelijk geweest, zeker niet in het begin, maar ik ben mijn moeder ontzettend dankbaar dat ze mij naar een Nederlandstalige school heeft gestuurd”, zegt Saloua. De weg naar succes die de ouders voor ogen hadden, is in de loop der jaren bezaaid met stereotiepe hindernissen.En dat klinkt in het interview snel door. “Een leerkracht noemde ons ‘het groepje van Afrika’. Ze vond ons asociaal omdat we altijd samen waren. Maar we kennen elkaar al zo lang”, vertelt Saloua. De leerlingen nemen meer dan eens het woord ‘demotiverend’ in de mond.”Anderen gaan toch ook met elkaar om in groepjes, het is niet zo vreemd dat wij dat ook doen”, vindt Mohammed. Na een moeilijk jaar gebeurde het wel eens dat iemand op school hen aanraadde om naar het technisch of beroepsonderwijs te gaan. “Alsof het niveau daar lager is.”Wie hen wel hielp en steunde, krijgt alle lof van de pas afgestudeerden. Mohammed: “We hebben genoeg leerkrachten gehad die ons niet anders behandelden dan de rest, die ons steunden en die het goed vonden dat we elkaar hielpen.” En toch dwaalt het gesprek meteen weer af naar de scherpe kantjes. “Ze beschuldigden ons ervan te spieken omdat we wel eens gelijkaardige antwoorden hadden. Maar dat was omdat we toetsen samen voorbereidden”, zegt Mohammed. “Ze hebben vooroordelen”, vult Nora aan.

Jeugdhuis Chicago

Zonder elkaar was het dit jaar niet voor iedereen gelukt. Saloua is vorig jaar blijven zitten, vooral wiskunde was te moeilijk. Dankzij haar vrienden heeft ze het bij de tweede poging toch voor elkaar gekregen. Mailen, chatten, bellen, samen studeren bij jeugdhuis Chicago en zelfs in MuntPunt, de bibliotheek naast de Muntschouwburg, in het centrum van de stad. “Daar moesten we stil zijn, en dat was niet altijd even makkelijk”, lachen ze. “Het was hard werken, en we moesten ons concentreren om bij de les te blijven.”De vorige jaren waren evenmin evident. “Mijn moeder hielp me wel bij Frans, maar de rest ging niet”, vertelt Nora. “Ze spreekt geen Nederlands.” Doorheen de jaren konden ze altijd terecht in de Chicago, in de gelijknamige wijk. Een buurt die al even in moeilijkheden is, maar waar jongeren uit de buurt hun ei kwijt kunnen in het jeugdhuis. “Ik kwam hier na school en kreeg bijles”, zegt Mohammed. “Thuis kreeg ik geen hulp, dat ging gewoon niet.”Het Nederlands onder de knie krijgen was niet simpel. Dat ze vooral Frans spraken onder elkaar hielp ook niet. Dat beseffen ze. “Als het snel moest gaan, stonden er dt-fouten in mijn taken, of ging ik in de fout met de lidwoorden”, geeft Saloua toe.Vijf van de elf zijn al zeker dat ze verder studeren. Van sociaal werk over management tot handelswetenschappen of informatica. Bakken ambitie en een hoofd vol goesting, Nora is de dag na haar proclamatie al een mapje met informatie gaan halen in de Erasmushogeschool in Brussel.Ze kijken met veel optimitisme naar wat er nog kan komen, maar het heeft telkens weer een zuur randje. “Ik hoorde het vaak genoeg van sommige leerkrachten, dat het te moeilijk zou zijn voor mij, dat ik bijlessen zou moeten volgen”, zegt Mohammed. “Het is weer zoals altijd”, vult Nora aan. Het gebrek aan geloof komt hard aan, maar is meteen een por in de zij. “Zelfs al demotiveren ze ons, we blijven er helemaal voor gaan.””Of ze elkaars hulp niet zullen missen? “We vinden er wel anderen met wie we kunnen werken”, gelooft Saloua. “Mijn zus studeert geneeskunde aan de ULB, en heeft daar ook een paar mensen met wie ze veel samenwerkt.” De volgende stap is er voor hen wel één in het donker. “Solliciteren zal moeilijker zijn. Een vriendin van me kan pas beginnen bij een privébedrijf als ze haar hoofddoek afdoet.”Ze willen wel graag in Brussel blijven. Het is de stad waar ze zijn opgegroeid, maar de gevoelens zijn dubbel. Saloua: “Je hoort veel dat dit een open stad is, maar eigenlijk is dat niet zo.” Het woord ‘racisme’ nemen ze niet één keer in de mond, ze fietsen er telkens opnieuw netjes langs. Maar hun ogen zeggen het wel.

Sterk Brussels accent

Eigenlijk vinden ze het jammer dat ze een interview geven. Over iets wat voor hen normaal is. Of toch zou moeten zijn. “Wij moeten ons dubbel zo hard bewijzen om ergens te geraken.” Nora zegt wat de hele groep denkt. Maar vandaag staan ze er. Vlot wisselend tussen Frans, Nederlands met een sterk Brussels accent, en dikwijls nog een derde taal. Ze zeggen dat het hun doel was om allemaal te slagen. En dat het hen toch maar gelukt is, ondanks alles.”Waarom doen mensen zo? Dat wil ik echt weten. Van verschillende culturen word je alleen maar rijker”, zegt Mohammed. “Tot nu toe heb ik er geen antwoord op.”

Ondernemer of politicus?

Schoenenkoning Wouter Torfs katapulteerde zich met een tweet in het centrum van de regeringsvorming. Een behoorlijk risico in eigen land, waar het stemgeheim voor velen nagenoeg een heilig gebod is. En niet iedereen is ermee gediend.

Het gebeurt niet vaak in België, een ondernemer die zich zo openlijk uitlaat over de regeringsvorming. Hoewel een meerderheid van ondernemers bij de laatste anonieme peilingen overtuigend de N-VA verkozen, ligt de persoonlijke voorkeur een pak gevoeliger. “Ik heb mijn mening vorige zondag in het stemhokje gegeven en wens daar geen vervolg aan te geven”, laat JBC-topman Bart Claes weten. “Als zakenman moet ik kunnen samenwerken met mensen van alle politieke strekkingen”, horen we bij Karel Cardoen van autosupermarkt Cardoen.Voka-topman Jo Libeer schaarde zich meteen achter de uitspraken van Torfs, maar bij de nationale werkgeversorganisatie VBO pleiten ze voor nuance. Gedelegeerd bestuurder Pieter Timmermans: “Wij maken nooit een politieke keuze, de kleur van de kat doet er niet toe, als ze maar muizen vangt.”De regeringsvorming leeft enorm in ondernemerskringen. Timmermans heeft nog nooit zoveel reacties gekregen op de verkiezingen en de uitdagingen waar de volgende regeringen voor staan, zowel in Vlaanderen als in Wallonië en Brussel. “De ondertoon is altijd dat we nu een kans hebben om een beleid te voeren dat ondernemerschap bevordert, omdat het leidt tot groei en groei leidt tot jobs”, zegt de VBO-topman. Vorige regeringen zijn daar de mist in gegaan volgens Timmermans. “Vaak keken die alleen maar naar de jobs, zonder na te denken hoe ze er aan moesten komen.” Hij geeft toe dat Torfs’ droomcoalitie van N-VA, CD&V en Open Vld de snelste weg naar “structurele hervormingen” is, maar “als het met andere partijen kan, steunen we dat ook, maar het zal moeilijker zijn”.

Het grote gelijk

Marc Fouconnier, CEO van reclamebureau Famous, stelt het vlijmscherp: “Frontvorming is voor mij oorlogstaal, het is de impliciete confrontatie tussen Noord en Zuid.” Fouconnier vindt de uitspraak van Torfs te sturend. “Ik heb klanten in het noorden én het zuiden van ons land, ik zou het nooit doen.” Pittig detail, Torfs heeft tot op heden geen enkele winkel aan de andere kant van de taalgrens.Ex-VBO-voorzitter Luc Vansteenkiste heeft ook moeite met wat Torfs het Vlaams Front noemt. “Het grote gelijk heeft in de geschiedenis nooit tot structurele verandering geleid. Het volk heeft gestemd, laat de politici nu maar aan zet.” Vansteenkiste ziet het als de taak van de verkozenen om uit te zoeken hoe de stem van de kiezer te interpreteren, hoe oplossingen te vinden en met wie ze denken die te kunnen realiseren.Columnist Guillaume Van der Stighelen vindt dan weer geen graten in de uitspraak van Torfs. “Waarom zou je niets mogen zeggen? In Frankrijk gebeurt dat allang. Hier is het not done tot iemand het doet en dan blijkt dat niet meer not done te zijn.”Ondernemer - en ondertussen Open Vld-politicus - Noël Slangen houdt het voorzichtiger. “Hoewel ik ondernemer was én politiek geëngageerd, hield ik beide strikt gescheiden. Sommige van mijn partners en medewerkers deelden niet dezelfde politieke overtuiging.” Volgens Slangen gebeuren die uitspraken de laatste tijd meer en meer en zijn ze niet altijd even sterk onderbouwd. “Het kan hoogstens een probleem zijn als Torfs denkt dat het geen politiek standpunt is, want dat is het wel."

Zicht op een nieuw gezicht

Het Amerikaanse leger volgt de evolutie in gezichtstransplantaties van nabij en kijkt daarvoor onder meer naar Gent. Slechts dertig van die operaties zijn er tot nu toe wereldwijd uitgevoerd en de ingreep zit nog in een experimentele fase. Een nieuw rapport in The Lancet toont zich echter positief over de mogelijkheden.

Op dit moment zijn er 150 à 200 Amerikaanse soldaten die in aanmerking komen om binnen het transplantieprogramma te vallen. Om de enorme vraag aan te kunnen wordt gekeken naar Europese centra. Europa nam bijna de helft van de ingrepen die wereldwijd gebeurden voor zijn rekening. Bovendien zijn er minder geschikte kandidaten, waardoor een deel van de soldaten daar kan worden opgevangen. Plastisch chirurg Phillip Blondeel, die als eerste Belg een succesvolle gezichtstransplantatie heeft uitgevoerd in 2011, bevestigt dat hij daarop is aangesproken tijdens een bezoek aan de VS in december van vorig jaar.Bij zijn bezoek aan New York werd Blondeel benaderd door zijn Amerikaanse collega dr. Eduardo Rodriguez, een van de auteurs van een net verschenen rapport over gezichtstranplantaties. “Het gaat om een initiatief waarbij Amerikaanse en Europese centra zouden samenwerken,” zegt Blondeel,”een soort van bondgenootschap om (verminkte) soldaten aan te pakken.”Vandaag zijn er wereldwijd 30 gezichtstransplantaties uitgevoerd. De hele procedure, van juiste donor vinden tot ingreep doen, neemt jaren in beslag. De ingreep zit nog in een experimentele fase en het onderzoek naar gezichtstransplantaties loopt nog volop. Het Amerikaanse leger is al in 2008 begonnen met financiële steun aan ziekenhuizengroepen die zich specialiseren in regeneratieve geneeskunde, waaronder gezichtstransplantaties. Tot op vandaag betaalde het leger twaalf transplantaties, zowel voor burgers als militairen.Hoewel contacten tussen het Amerikaanse leger en ziekenhuizen niet ongewoon zijn in de Verenigde Staten is het leger doorgaans niet happig op al te veel inmenging van en met de civiele wereld. Rechtstreeks contact tussen leger en ziekenhuizen is beperkt tot de huidige samenwerking. Blondeel: “Hun filosofie is: laat burgerziekenhuizen maar eerst een paar gevallen behandelen, dan zien we wel.” Nog volgens Blondeel zal de samenwerking niet voor meteen zijn. “Die dingen vergen jaren tijd.”

Enorme vooruitgang

Met dertig ingrepen in negen jaar tijd zit de procedure nog steeds in een experimentele fase. Toch is er enorme vooruitgang geboekt, zo staat te lezen in een net verschenen rapport. De vraag is vooral in de Verenigde Staten groot. De voornaamste redenen daarvoor zijn de oorlogen in Irak en Afghanistan en het liberale wapenbeleid. Door de uitzonderlijk strenge criteria voor de ingreep komt maar een handvol mensen in aanmerking.In 2005 vond de allereerste gezichtstransplantatie plaats in Frankrijk. De 38-jarige Isabelle Dinoire was in het aangezicht gebeten door haar labradorhond. Een paar maanden na het ongeval kreeg ze een nieuwe neus, kin en lippen. Het Franse team van chirurgen ondervond hevige tegenstand van mensen die de ingreep immoreel en onethisch vond. Met de publicatie afgelopen zondag van een rapport in wetenschappelijk tijdschrift The Lancet moet die tegenkanting stilaan wegebben. Het was het eerste rapport sinds de transplantatie bij de Française in 2005.Onderzoekers bekeken 28 gevallen van gedeeltelijke of volledige gezichtstransplantatie: acht in Frankrijk, zeven in de VS, zeven in Turkije, drie in Spanje en telkens een in China, Polen en België. Twee ingrepen in Turkije vonden plaats nadat het rapport was voltooid en zijn er dus niet in opgenomen. In België is het plastisch chirurg Phillip Blondeel die de nationale primeur op zijn conto mag schrijven.Eind 2011 onderging een Belgische man na een werkongeval een gezichtstransplantatie in het Universitair Ziekenhuis van Gent onder leiding van Blondeel en zijn team. Tot op vandaag wil de man anoniem blijven. Blondeel: “Ik kan alleen zeggen dat hij het goed stelt, aan het werk is en sociaal weer helemaal geïntegreerd is. Voor ons is het een groot succes.” Volgens het rapport zijn er maar 4 van de 28 onderzochte gevallen waar de patiënt opnieuw aan het werk ging of naar school kon. De patiënten waren allemaal tussen 19 en 60 jaar.

Lange lijdensweg

De operatie in België was pas de negentiende wereldwijd. Meestal duurt het een aantal jaar voor de ingreep kan gebeuren. De voorbereiding van het chirurgische team alleen al kan jaren in beslag nemen. Ook voor de kandidaat kan men niet anders dan zeer streng zijn. “Er moet aan heel wat psychologische, fysieke en ethische criteria worden voldaan”, zegt Blondeel.De zoektocht naar een geschikte donor kan pas beginnen als men zeker is dat de patiënt de hele procedure psychologisch aankan, gezond genoeg is om de noodzakelijke medicatie te nemen die zijn afweersysteem verzwakt en zo de kans op afstoting van het nieuwe gezicht verkleint, en de ethische commissie overtuigd is van de noodzaak van zo’n ingreep. In het Belgische geval heeft de ethische commissie er exact twee jaar en een dag over gedaan om groen licht te geven.Prijs speelt natuurlijk ook een rol. De ingreep kost vandaag minstens 215.000 euro. Ter vergelijking, een blindedarmoperatie kost ruwweg 2.500 euro. De meeste tegenstand komt van mensen die de noodzaak van zo’n transplantatie betwisten. Ze zien het gezicht niet als vitaal orgaan waardoor de ingreep enkel esthetisch en dus onnodig is. Blondeel spreekt dat sterk tegen: “Je hebt je neus nodig om te kunnen ruiken, je tong om te kunnen eten, slikken en drinken. Je hebt je gezicht nodig voor non-verbale communicatie. Al die dingen zijn essentieel om te kunnen functioneren in onze maatschappij.”Ook de angst dat er te veel gelijkenis tussen donor en ontvanger zou zijn, is onterecht, zegt Eduardo Rodriguez, de Amerikaanse arts die het onderzoek leidde. “Het is niet dat je de donor herkent als je over straat zou lopen”, liet hij in de New York Times optekenen. Geen van de patiënten lijkt enigszins op de donor, maar is eerder “een unieke mix van donor en ontvanger”, zegt de onderzoeker.

Doenbaar

Het rapport erkent dat de procedure nog in een experimentele fase zit. De hoge kosten, de strenge selectiecriteria en verhoogde risico op infecties na de operatie bevestigen dat. Toch stelt het rapport dat de ingreep veilig en doenbaar is, en dat er meer patiënten in aanmerking zouden moeten komen. De Amerikaanse overheid volgt en vanaf juli dit jaar zullen hand- en gezichtstransplantaties onder dezelfde wetten en regels als de reguliere orgaantransplantaties vallen. Rodriguez: “Je kunt zeggen dat we een morele verplichting hebben ten aanzien van politiemensen, brandweerlui en soldaten om hen weer in veiligheid te brengen.”De gevaren die verbonden zijn aan de ingreep zijn relatief beperkt, stelt het rapport. Geen enkel gezicht werd afgestoten. Wel trad in alle gevallen een acute reactie op van het lichaam op het nieuwe gezicht. Blondeel: “Het gezicht wordt rood en is opgezwollen. Pijn doet dat niet, maar je moet het behandelen met hoge doses cortisone.” Van de 28 patiënten hebben er drie het niet overleefd. Een patiënt stierf nadat die de medicatie had stopgezet vanwege de neveneffecten, een andere was HIV-positief en hervallen in een eerder verwijderde kanker, en een derde patiënt stierf aan een infectie opgelopen na een dubbele hand- en gezichtstransplantatie.In veel gevallen moesten patiënten weer onder het mes om correcties uit te voeren. Bij Blondeel en zijn team was dat niet het geval. “Wij hebben een planning gemaakt met de hulp van complexe computertechnieken. Als je goed voorbereid bent, kun je perfect berekenen wat nodig is.” Het rapport roept ook op om een database bij te houden waar chirurgen en hun teams ervaringen kunnen delen. De techniek staat nog in kinderschoenen, daarom is het nodig om de effecten op lange termijn te registreren. Een centraal register zou ook helpen om verschillende resultaten te tonen bij verschillende technieken.

Angelina-effect

Blondeel is blij dat er zo’n rapport is verschenen. Hij gelooft dat het de zaken mogelijk zal versnellen, “maar het zal niet hetzelfde effect hebben als Angelina Jolie en haar borsten”. De Hollywoodster liet vorig jaar beide borsten preventief amputeren en zwengelde daarmee het debat over preventieve amputatie aan.Op dit moment screent hij een aantal patiënten. Het gaat om mensen die een misvormd gezicht hebben door een kanker, aangeboren afwijkingen of letsels opgelopen in oorlogsgebied. De criteria zijn nu nog zo strikt dat de meeste kandidaten niet in aanmerking zullen komen. De afspraak is om elk geval dat wel in aanmerking komt aan de ethische commissie voor te leggen, waar het volgens Blondeel niet zo lang zal duren als bij de eerste patiënt. “Zodra we over de 100 à 150 gevallen gaan zullen de criteria wel lakser worden”, zegt Blondeel.

Uber me

Dit weekend heb ik voor de eerste keer hier in Brussel de mobiele taxidienst Uber gebruikt. Geheel volgens de verwachtingen heeft Uber het meteen aan de stok gekregen met de gestelde lichamen van de Brusselse taxiwereld, die daarin gesteund worden door de Brusselse overheid bij monde van transportminister Brigitte Grouwels (CD&V). Ik heb de dienst een paar keer in New York kunnen gebruiken, en niets dan lof. Mijn ervaring met taxi's in Brussel is behoorlijk gemengd -gaande van hyperenthousiasme dankzij een veilige, aangename en vlotte rit met een belachelijk sympathieke chauffeur (ooh I love Brussels-gevoel incluis), tegenover de misselijkmakende bijna-doodervaring waarmee een bullebak door de stad scheurt (FUCK OFF BRUSSEL-gevoel eveneens op de zaak)- dus ik dacht: laat me die Uber hier es uitproberen. Dat het bedrijf uit San Francisco de Brusselaars deze week trakteert op gratis ritten zit er wellicht ook voor iets tussen.    

photo 1_Fotor_Fotor.jpg

De aankomsttijd bleek iets te optimistisch (34 min in plaats van 17), maar Brussel heeft nog steeds de gouden plak in het WK filerijden dus ik wacht vol begrip. De chauffeur, laat me hem voor de veiligheid Francis noemen, komt dus na 34 minuten aangereden. Ik stap in en hij bevestigt in de Uber-app op zijn smartphone dat de rit begonnen is. Meteen bestook ik hem met alle vragen die me als Brusselse Uberfan bezighouden. Nee, hij heeft nog nooit als taxichauffeur gewerkt. Ja, hij heeft een job (in de sociale sector) maar hij rijdt zo graag rond. Ja, hij geeft deze bezigheid officieel aan. Nee, hij heeft zich geen kandidaat gesteld, en is via via gecontacteerd door Uber zelf. Nee, hij snapt niet dat taxichauffeurs zo moeilijk doen want it's a free market. Weinig verrassing daar, behalve wanneer ik hem vraag of de Brusselse taxi's hem het leven zuur maken. "Ik had de app openstaan en in de houder gezet die aan mijn raam hangt," begint Francis, "en een taxichauffeur moet dat gezien hebben want ze begonnen me uit te dagen. Ze probeerden een ongeval met mij te veroorzaken, waarop ik dan maar snel ben weggereden." 

photo 2.jpg

Francis ziet er niet uit als het type dat zich laat verleiden tot nodeloze assertiviteit, een gave waar een meer dan marginale groep taxichauffeurs naar mijn ervaring goed mee bedeeld is, en het siert hem. Zijn rijstijl is trouwens tiptop. Als het vooruit gaat, tenminste. De beste routes kent hij wellicht nog niet en zijn improvisatieskills zullen nog bijgeschaafd moeten worden, maar dat is het risico dat ik als gebruiker dan maar neem. Het gebruiksgemak is trouwens de voornaamste reden dat ik Uberfan ben. Mijn kredietkaart is gelinkt met de app, in het beste geval moet ik mijn glazen telefoonscherm drie keer aanraken -app openen, taxi aanvragen, taxi bevestigen- en enige tijd later staat er iemand voor de deur. Het aanbod in Brussel is voorlopig nog magertjes, dus erg vlot loopt het nog niet, en de vragen over wie in geval van een ongeval verantwoordelijk is zijn terecht, maar met het heerlijke gemak van de dienst neem ik de wachttijden en risico's er met plezier bij.      

De taximarkt in New York valt natuurlijk niet te vergelijken met die in Brussel. Het verhaal dat ik daar hoorde van een man die samen met collega's in het taxidepot sliep omdat de rit naar huis te lang en te duur was zal je hier (hopelijk) niet horen, en veel chauffeurs rijden met een leasetaxi voor eigen rekening, maar misschien kunnen we toch nog iets leren van die dekselse Amerikanen. Vandaag kan Brussel enkel genieten van uberPOP, een taxidienst van particulieren vergelijkbaar met uberX in de VS. Maar daar aan de overkant van de plas is er nog een pak meer: uberTAXI, uberBLACK, uberSUV en uberLUX. Voor elke beurs wat wils. De typische Yellow cabs reden ook met Uber rond, tenminste als de chauffeur een smartphone had. Misschien wel een ideetje voor de Brusselse taxi's. 

photo 3.JPG

Een half uur en 7.84km zet Francis met af op mijn eindbestemming. Ik hoef niets te doen, enkel de chauffeur tussen 0 en 5 sterren geven. En da's dan nog vrijblijvend. Het voornaamste op dat moment is dat ik een aangename, goede en veilige rit heb gehad onder de €20. Deze keer op kosten van Uber dus. 5 stars it is!  Ik heb nog tot donderdag 13 maart 12h om 4 gratis ritjes met uberPOP te doen. Ik laat me in in ieder geval niet tegenhouden. Maar ik moet dan ook niet met taxichauffeurs omgaan die, in het geval van Francis, op bloed of een bluts uit waren. 

No need for another BuzzFeed

2013 was het jaar dat BuzzFeed zowat doorbrak in België. Iedereen kent het concept: linkbait met lijstjes die gaan van geniaal en hilarisch tot saai en ronduit vervelend. Volgens de ene zijn lijstjes de ideale manier om de zondvloed aan informatie bevattelijk te maken, volgens de ander een sign of the times van maatschappelijk verval. Naast talloze lijstjes kan je op BuzzFeed terecht voor politiek en internationaal nieuws -ook geregeld in lijstjes gegoten- en longreads. Weekendartikels, zeg maar, waar 1 of meerdere reporters veel tijd en ruimte krijgen om een verhaal uit te werken. Het druist tegen ongeveer elke internetregel in, waaronder de financiële, en is ontzettend gedurfd. Met ex-Politico (een uiterst gerespecteerd politiek referentieblad in de VS) Ben Smith aan het roer ligt de wereld aan hun voeten. BuzzFeed UK, BuzzFeed France, BuzzFeed Brasil, ... maar dus niet BuzzFeed België. Enter Wouter Verschelden et amis.

If you pay peanuts, you get monkeys

Aangekondigd als de verademing in het Vlaamse nieuwslandschap zat ik een paar maanden op het puntje van m'n stoel. Afwachten wat de heren uit hun hoed zouden toveren, they were the talk of the town. Tot ik de eerste video zag. Bij de bedenkelijke stijlkeuze en het verrassende gebruik van Citizen Kane-quotes moest ik goed slikken, maar ik viel helemaal van m'n stoel toen ik hoorde dat de hele zwik gratis online kwam. Met de betaalmuren die onder andere The New York Times, The Wall Street Journal en in eigen streek De Correspondent, De Tijd en De Standaard optrokken leek het me evident dat nieuwe initiatieven zich daardoor gesterkt zouden voelen om de schade die het jarenlang aanbieden van gratis nieuws aan goede berichtgeving heeft berokkend weer te herstellen. Niet dus. Dan maar de meubelen redden door crowdfunding. Maar door een relatief hoge bijdrage van een beperkt aantal investeerders krijg je enerzijds een geëngageerde maar selecte aanhang, anderzijds een afgetopte vetpot. Wie draait voor de rest op? Gesponsorde artikels, irritante banners en medewerkers die zich meer dan uit de naad werken om aan de vraag te kunnen voldoen.

Monkey see, monkey do

Mijn volgende zucht kwam er door een gelekt screenshot van de testversie. Mooi geplaatst naast een screenshot van BuzzFeed leek het ontwerp van Newsmonkey wel een spiegel. Zelfde felle kleuren, zelfde drukke indeling, zelfde tags (en echt exact dezelfde). En dan die lijstjes. De vraag of dit copy-paste is lijkt me niet relevant. Maar ik kan er niet bij dat de knappe koppen die Newsmonkey zonder twijfel telt zo weinig creatief zijn dat ze niet verder komen dan een flauw afkooksel van de flavor of the month. Tenzij ze de BuzzFeeds en Huffington Posts van deze wereld natuurlijk een afgewerkt product willen aanbieden voor een markt die amper de moeite waard is (voor de buitenwereld natuurlijk) om in te investeren.

Nice try, no banana

Vandaag was de publieke launch. Veel gejuich over een paar smaakmakende stukken. Zeker, ze hebben een knap stuk over Jean-Marie Dedecker. Die op een paar andere redacties niet veel meer dan de wachttoon krijgt. Maar goed. Ongeveer elk mediahuis heeft na een deugddoende vakantie wel een paar koppen, het zou maar erg zijn moest Newsmonkey dat niet hebben.

Ik hoop dat ze even open staan voor user generated content (hey, it's back to the future) als voor opbouwende kritiek. Mijn bottom line blijft dat ik geweldig blij ben dat er eindelijk nog eens wat beweegt bij ons. Nu nog de juiste kant op, jongens en meisjes.

Bier in de VS

Amerikaans bier. Het kan evengoed water zijn dat iets te lang in een verlaten kraan heeft gezeten. Zo gaat de mythe toch. Voor ik naar de VS kwam had ik geen flauw idee van de rijke biergeschiedenis van het land. Nog minder van wat er vandaag allemaal wordt gebrouwen. Bij de laatste telling door de Brewers Association in juni van dit jaar waren er ruim 2500 brouwerijen, waarvan bijna 98% zogenaamde craft breweries: café-brouwerijen, lokale brouwerijen en microbrouwerijen. Ze zijn zo populair dat zelfs de grootste er op inspeelt. Een van hun slogans voor topmerk Stella: “From the largest micro-brewery in the world. Belgium.” Opvallend veel brouwerijen pakken trouwens uit met het Belgian Style label. Een ervan is de Brooklyn Brewery, gelegen in Williamsburg, een van de hipste wijken van New York.

Brooklyn Brewery werd opgericht in 1988, door voormalig AP correspondent Steve Hindy en zijn onderbuur Tom Potter toen ze in het nabijgelegen Park Slope woonden, een van de knapste buurten van Brooklyn, net naast het monumentale Prospect Park. De eerste jaren werd de productie uitbesteed en in 1994, het jaar dat Oliver erbij kwam, kochten ze het pand in Williamsburg. Ondertussen, 25 jaar later, hebben ze meer dan 30 soorten bier, het merendeel seizoensgebonden, en exporteren ze naar 20 landen.

Volgens brouwmeester Garrett Oliver is vooral de hergisting op fles typisch voor het Belgian Style label. Dat Belgisch bier in de VS zo waanzinnig populair is zal er, vanuit marketingoogpunt, zonder twijfel ook mee te maken hebben. Oliver leidt me rond in de brouwerij. Hij is groot, atletisch gebouwd en zwart. Hij gaat netjes gekleed (mét blinkende balmorals) en is het exacte tegendeel van hoe ik me een brouwer had voorgesteld. Shame on me. Hij neemt me in sneltreinvaart mee door de brouwerij en praat onophoudelijk. Hij vertelt over de grotere ketels die ze sinds een paar jaar hebben om de vraag aan te kunnen en, zichtbaar fier, laat hij zien hoe een deel van de productie wordt gedaan door mensen met een mentale handicap. Gemiddeld 2 keer per week staan ze aan de band om de flessen te kurken.

Ik was er eigenlijk al geweest. Elke vrijdag tussen 6 en 11 kan je bier drinken in de Tasting Room. Net naast de deur koop je jetons die je aan de toog kan inruilen voor bier. Als er nog plaats is aan de lange tafels kan je zitten, de rest staat recht. Het ziet er uit als een refter en klinkt ook zo. Daar zat ik dus met een paar vrienden. Op vooronderzoek zeg maar.

Terug naar de brouwmeester. Oliver neemt me mee naar diezelfde toog in de Tasting Room en haalt een paar van zijn creaties boven. Enkel te koop in de typische champagneflessen van 75 cl –eigenlijk bierflessen want de champagneboeren hebben het volgens Oliver van de bierbrouwers overgenomen. Hij giet ze in een soort van klein Duvelglas: Local 1, Local 2, Sorachi Ace en het ronkende There Will Be Black. In mijn beperkte smakenpallet proeft de Local 1 wat naar blonde Leffe, maar lang niet zo zoet. Local 2 is de donkere variant, Sorachi Ace is verrassend fris en There Will Be Black, wel, daar ga je best even voor zitten: vol, rond, dik en loodzwaar. Ik had me wel degelijk ingewerkt en had zelfs al een favoriet: Brooklyn Local 1, een echte Belgian Style Ale.

Naast die Belgian Style, was ik naar daar gekomen voor een speciaal bier: de White House Honey Ale. Begin 2011 werd het op vraag van Amerikaans president Barack Obama gebrouwen, voor zover bekend het eerste bier dat in het Witte Huis is gebrouwen. In de zomer van 2012 stuurden 2 hobbybrouwers officiële vragen (zogenaamde FOIA’s, Freedom of Information Act) om het recept vrij te geven. Op 1 september 2012 publiceerde het Witte Huis het recept op zijn officiële blog. Oliver kreeg daarop de vraag van krant The New York Times om de White House Honey Ale voor hen te brouwen, en het hele proces op een blog bij te houden. Het resultaat ervan mag ik proeven. Ik ben behoorlijk onder de indruk van de smaak maar vooral van de wetenschap dat ik bier drink dat op vraag van de machtigste man op aarde werd gebrouwen. Voor de tweede keer die dag zie ik dat Oliver oprecht fier is. Ik voel mee en net voor hij ons gesprek afsluit, vraag ik hem in een vlaag van chauvenisme naar zijn favoriete Belgische bier. Hij twijfelt niet: Saison Dupont. Ik heb er nog nooit van gehoord.

Lichtjes beschaamd loop ik buiten en neem de metro naar huis. Ik loop binnen bij de kruidenier in mijn straat, kijk bij het bier, en zie er een kleine fles Saison Dupont staan. Mijn nieuwsgierigheid haalt het van mijn rekenvermogen en ik koop de fles. Ik kom thuis, schenk mezelf een glas uit en kan het alleen maar eens zijn met Oliver. Zover is het dus gekomen, verhuizen naar Amerika met de heilige overtuiging dat hun bier geen bier is, en dan door een van hen de les gespeld worden over je eigen bier. Nice.

 

Alaska

Het is begin juni. We vliegen vanuit hoofdstad Anchorage naar Barrow, de meest noordelijke stad van de VS, en zonder vliegtuig niet te bereiken. We zijn helemaal naar hier gekomen om een verhaal te maken over olie. Shell wil die uit de zee halen die aan Barrow ligt. Blijkbaar veel eenvoudiger dan op andere plekken in zee. Behalve dat het de arctische zee is. Met onvoorspelbaar ijs en veel wind. Het boren zou de trekroute van walvissen en andere dieren in de war brengen en dus is Barrow er helemaal verdeeld door: de mensen die er brood in zien en de walvisjagers, want die zijn er hier veel. Die zomer hoopt Shell nog een aantal testboringen doen. De laatste vergunningen kunnen elk moment in de bus vallen dus willen we nog net op tijd bij de voorbeschouwing zijn. 

De aankomsthal is niet meer dan een kleine hangar. Je ziet aan de grijze gezichten van de vliegveldbewaking dat de TSA haar mensen daar een post heeft aangewezen. Het zal je maar gebeuren. Wij, aan de andere kant, vinden het ongelooflijk spannend. We lopen als kleine kinderen de kou in. Nadat we de euforie uit onze ogen hebben gewreven, ziet het er vooral duf en grijs uit. Asfalt heb je hier niet. Wegen worden voortdurend verhard met enorme walsen, met als gevolg dat de hele stad onder een laag stof ligt.

Onze huurauto pikken we 100 meter verder aan de overkant van de straat op, en we rijden door naar het hotel. Top of the World, zo heet het. Het is een soort van verstevigde, houten paalwoning waar een opgezette ijsbeer in een glazen bak elke klant toewuift. Ik krijg een kamer met uitzicht op zee. Je ziet niet meer dan een witachtige massa achter een lichtgrijze strook achter een donkergrijze weg, maar ik ben oprecht gelukkig met het uitzicht. Even uitpakken en dan iets eten. Het is al laat, denk ik. Naar buiten kijken heeft geen zin want het licht gaat hier boven de poolcirkel de komende maanden niet uit.

Naast ons hotel is een restaurant. Pepe's doet een verdienstelijke poging om zo authentiek Mexicaans als mogelijk te zijn. Buiten een koppel aan een tafeltje in de hoek zijn wij met z'n drieën de enige klanten. Fran Tate runt de zaak. In de jaren 80 is ze twee avonden op rij op Johnny Carsons talkshow geweest, een eretitel die ze met smakelijk plezier bovenhaalt. Elke nieuwe gast van Pepe's moet het gastenboek tekenen en krijgt als beloning een stuk papier waarop staat dat ie levenslang lid is van de Arctic Circle Club. Een beetje goedkoop als je het bekijkt van aan de onderkant van de poolcirkel, maar ik ben er stiekem verdomd trots op.

Omdat we hier amper twee dagen zijn, besluiten we meteen na het eten wat te gaan filmen. De eerste halte is aan de speeltuin om de hoek. We zien een tiental kinderen, ik schat tussen 6 en 14 jaar, op de schuifaf en het basketbalpleintje. Met bal. Ik kijk op de klok in de auto: half twaalf. Best wel laat. Ik neem een paar beelden en we rijden verder. Bij de volgende stop komen we aan de plek die ook op onze net verworven clubkaart staat: een indrukwekkende constructie van walvisbeenderen, rechtopstaand in een soort koepel die mij met de dramatische, lage zon in de achtergrond de mond toesnoert. Een prachtig, verdovend zicht dat mij er fijntjes aan herinnert dat er hier andere krachten spelen. De energie van de arctische zomer is behoorlijk sterk, al word ik plots overvallen door het gebrek aan energie in m'n eigen lijf. We ronden onze verkenningstocht op mijn aandringen iets sneller af en een half uurtje later donder ik neer op wat in m'n hotelkamer het meest op een bed lijkt.

Ontbijten doen we weer bij Pepe's. Ik neem een stevige schotel want het belooft een lange dag te worden. Dat en een walvissenfestival na de middag. Barrow viert het einde van de jacht met soep en mikiaq: walvisvlees dat twee weken in bloed ligt te rijpen. Ik ben die ochtend nog niet onmiddellijk in staat om te bepalen of mijn gedomesticeerde maag dat aankan dus ik ga voor een grote bak bonen met rijst en gebakken ei.

Even later ontmoeten we onze gids, Rosemary. Barrow leeft op een ander ritme, dus is het handig om iemand te hebben die onze gestructureerde aanpak kan vertalen naar afspraken die iets opleveren. Rosemary vertelt ons over de walvisjacht van de Inupiat, het volk van de North Slope Borough. Volgens haar mag ik niet jacht zeggen. Ze vertelt ons dat de walvissen zich aanbieden. Als je de boten bekijkt waar ze het mee moeten doen, geloof je haar best. Ze zijn maar de helft zo groot als de beesten die ze vangen. Elke crew heeft een specialist aan boord die naar het ijs luistert. Hij kan met indrukwekkende precisie voorspellen hoe het ijs zich voortbeweegt, om te vermijden dat ze zich ergens vastvaren. De hele jacht ziet er voor het ongetrainde oog uit als overgeromantiseerde traditie, maar in werkelijkheid is het een uitgekiende operatie waarin elke individuele fout de hele groep in gevaar kan brengen.   

Rosemary neemt ons mee naar Captain Joe. Hij en z'n crew zijn walvisjagers. Joe bewaart het walvisvlees in een ijskelder. Zijn grootvader had die 60 jaar geleden zelf uitgegraven. In de hut bovenop de kelder liggen een hoop rendiervellen en wat dode ganzen. Hij haalt de plank van het keldergat en ik mag naar beneden om het vlees te filmen. Met een klein lampje probeer ik wat bij te schijnen. En dan zie ik dat ik echt ik een uitgehouwen stuk ijs zit. De wanden glinsteren aan alle kanten en het vlees blinkt van de olie. Een fantastisch zicht (schitterend, if you will). Boven staan Joe en z'n neef me apetrots aan te kijken. Dit jaar was een goed jaar. Net buiten de hut liggen de baleinen van de laatste vangst. Eenmaal boven neem ik er gauw een paar beelden van. Joe en z'n mannen moeten er snel vandoor. Zij zijn vanmiddag eregast op het walvisfeest.

We hebben eerst nog een paar afspraken. Een met de burgemeester en een met de oud-burgemeester. Beide zijn ze niet erg gelukkig met de komst van Shell. De oude heeft jarenlang met hen rond de tafel gezeten. Auteur Bob Reiss heeft er zelfs een boek over geschreven: The Eskimo and the Oil Man. Het vertrouwen tussen de twee partijen is the Eskimo echt zoek. De huidige burgemeester vraagt zich vooral af of het de stad wel iets zal opleveren. En beide vrezen ze voor de natuur. Voor de walvissen. En dus, voor hun mensen. Shell meent het wel. Net buiten de stad staan er barakken die plaats moeten bieden aan zo'n 200 man. Hoe ze daar allemaal moeten leven is me niet duidelijk. Ik probeer er me iets bij voor te stellen als ik buiten sta en er wat beelden van neem, maar mijn denkvermogen moet plaatsruimen voor een primaire drijfveer. De angst voor de ijsbeer. Net voor ik uitstap wijst Rosemary me er fijntjes op dat ik best goed rondkijk terwijl ik film. De beesten kunnen plots achter je opduiken, zo zegt ze. Ik geloof haar graag. 

Het walvisfeest. Aan het einde van het jachtseizoen, twee keer per jaar, mag één crew hun boot aan land duwen. Een grote eer die deze keer voor Captain Joe en zijn team is. Op de plek waar de boot aan land komt, staan zo'n 100 mensen hen op te wachten. De soep is opgewarmd, de mikiaq goed rot, het feest kan beginnen. Wie in het hoge noorden een walvis vangt, moet hem delen. Een mooie traditie die gelukkig voor veel Barrowers in stand gehouden wordt. En wij, wij mogen ook. Ik sta bij een oude vrouw aan een lange tafel die haar portie mikiaq met een sikkeltje versnijdt. Ze biedt me een stuk aan en ik spring nagenoeg achteruit. Mijn avontuurlijke kant gaat duidelijk niet door m'n maag. De vrouw haalt haar schouders op en eet rustig verder. We praten nog even met Joe aan z'n boot. Hij maakt zich zorgen. Wat als het misloopt met de boringen? Wat als het gedreun van de boringen de dieren wegjaagt? Of de migratie verlaat? Of vervroegt? Een opschrift even verderop verwoordt het treffend: "Save the whales... for dinner".

De dag erna vertrekken we. We nemen afscheid van Rosemary, van de ijsbeer en van de grote, witte ijsvlakte. Barrow is een bevreemdende plek. Ik hou er wel van. Zonder twijfel omdat ik de mogelijkheid heb om op een vliegtuig ver hiervandaan te vliegen. De enige ontspanning is die ene bingo avond per week. En twee keer per jaar vieren ze de walvisjacht. De mensen proberen zo hard mogelijk aan hun eeuwenoude cultuur vast te houden, maar de realiteit is onwaarschijnlijk hard: overleven of niet. De verdeeldheid in de stad is groot. 

En Shell? Die hebben het voorlopig opgegeven. Een van de twee booreilanden waar ze in de zomer testboringen mee hebben gedaan is op de terugweg losgeraakt van de sleepboot en een paar dagen op drift geweest. Door de schade van wind en water is het booreiland nu op weg naar Azië voor herstellingen. De Amerikaanse regering heeft ondertussen beslist dat boren naar olie in de arctische zee toch maar niet voor meteen hoeft te zijn. Bob Reiss' boek verdient in ieder geval een nieuw hoofdstuk.

Mississippi

"Laten we de camera even zitten?" Ik doe de koffer dicht en we stappen de straat over. Links en rechts kijken mannen ons aan. We lopen door, gaan de kruidenier binnen en kijken rond. Buiten een handvol appels, wat sla en een hoop uitgedroogde appelsienen ligt er weinig vers. We vragen de man aan de kassa of de baas er is. "Hij is even verderop een paar rekeningen gaan betalen. Over een uurtje is hij wel terug." "Is de buurt ok?" vragen we. "Zeker," zegt hij, "helemaal cool."

Cool was niet meteen het woord dat in me opkwam toen we Tchula binnenreden. Een piepklein stadje in de Mississippi delta, straatarm en, buiten de apotheker en zijn vrouw, pikzwart. De meeste mannen lopen er in vuile, soms gescheurde kleren rond. Of zitten. Of staan. Veel jonge gasten met donkere hoodies en baggie pants. En stuk voor stuk, jong en oud, getekende gezichten. Overal waar we gaan worden we nagestaard. Bijzonder confronterend, is het. Niet dat aangestaard worden. Maar dat ongemakkelijk gevoel. Op amper 1500 km van huis voel ik me plots heel erg blank en zien zij er plots heel erg zwart uit. Een ergelijk rotgevoel dat door iets te gemakkelijke clichés gevoed wordt.

De eerste man die we aanspreken ziet er poeslief uit. Een gewone jeansbroek, een licht jasje en gele pet. Hij is van Chicago, zegt hij met een zuiders accent. Nog $15 en hij kan een busticket naar huis kopen. We futselen een paar quarters uit onze zak en vragen of hij iemand kent in de buurt die obees is. Dat hebben we nodig. We zijn naar Mississippi gekomen om daar een verhaal over te maken. Hier staan we dan, in een van de armste stadjes in de dikste county van de dikste staat in het dikste land ter wereld. De man loopt met ons mee naar een huis. Hij kent de vrouw die er woont omdat hij soms sigaretten van haar koopt. No luck. Ze heeft te veel pijn. Onze man komt buiten met een sigaret en zegt ons dat het niet zal lukken. Hij blijft nog wat dralen en loopt dan door.

Nog altijd worden we aangekeken. Nog altijd voel ik me ongemakkelijk. Nog altijd heb ik datzelfde rotgevoel.

Een groepje kinderen iets verderop loopt onze richting uit. Zij kunnen ons wel helpen, denken we. De oudste jongen van de groep wijst naar een huis waar we wat mensen voor zien zitten. "Chris! Zij woont daar." We lopen er naartoe en vragen of Chris er is. Een magere, schele man van een jaar of 50 staat op en loopt zwijgend naar binnen. Even later stapt een forse vrouw buiten en mompelt ons iets toe. We vertellen haar dat we een verhaal maken over eten in Mississippi. Er zijn directere manieren om iemand uit te leggen dat je een stuk maakt over obesitas, maar dat leek ons op dat moment niet de beste strategie.

Chris -eigenlijk Christel, zo bleek ze ons toe te mompelen- vindt het best dat we haar filmen. We lopen haar huis binnen, nog steeds zonder camera, en worden min of meer aan iedereen voorgesteld. Christels zoon en dochter, haar twee meisjes, een neef, haar oom -de magere, schele man- en nog een paar mannen van wie we niet begrijpen wie ze zijn. "Morgen koken we, ja." zegt Christel. Ze ziet er verdwaasd uit. Drank? Drugs? Medicatie? Een van de mannen, Christels neef, denk ik, wauwelt een lijst af van alle mogelijke zuiderse schotels. Soul food, noemen ze het. Zijn twee bovenste snijtanden ontbreken. Achter zijn glazige ogen schuilt een verhaal dat niet meer verteld kan worden. We spreken af dat we de volgende dag rond een uur of 3 langskomen om te filmen tijdens het koken. Het is allemaal best.

Ik ben blij dat we onze moed bijeen geraapt hebben om met Christel te praten. Haar verhaal is er een dat weinig naar buiten komt. Het rotgevoel heeft plaatsgemaakt voor voldoening.

De volgende dag rijden we Tchula binnen en zetten de auto naast het politiegebouw. Ik doe de rugzak waar mijn camera in zit aan en we lopen nog even naar de winkel om taco's en chocola. Christels zoon wou dat voor ons op de barbecue  klaarmaken. We lopen naar haar huis. Haar zoon staat buiten onder het afdak. We geven hem de zak met tacos en chocola. Hij wijst naar de barbecue en haalt z'n schouders op. Het regent. "Mogen we binnen?" vragen we. "Natuurlijk." zegt hij. We duwen de deur open. De enige die naar ons omkijkt is een man die er gisteren niet bij was. "Wie zei dat jullie binnen mochten?" Christel bedaart de man. Ze ziet er goed uit. De dag ervoor leek ze op een andere planeet te zitten. Vandaag is ze alert. Iedereen trouwens. "Vandaag koken we niet." zegt ze. Een van de platen op het fornuis ziet er roodgloeiend uit en lijkt het tegendeel te beweren. "Da's onze verwarming. We koken niet meer, hoor."

Het enthousiame van de dag ervoor lijkt helemaal uitgeblust. We proberen nog wat, maar uiteindelijk verliest die ene man zijn geduld en wijst naar de deur. "Bedankt." We lopen aarzelend naar buiten en proberen nog wat met hem te praten. "Waar staat jullie auto?" vraagt hij. "Daar." zeg ik en ik wijs naar onze auto. "Zo, jullie staan bij de politie? Wel wel. Daag hoor. En jullie hoeven niet meer terug te komen."

Ondertussen is het 5 uur en moeten we er weer vandoor. Geen verhaal kunnen maken. Geen voldoening. En toch weer wel.

Oostenrijk

Ik ontmoet de 10-jarige Marijan voor het eerst op de medische faculteit van de Universiteit van Wenen. Hij is een beetje onder de indruk van de camera. Naast hem staan zijn ouders, en zijn broer, die ook naar de KinderUni komt. Twee weken per jaar zetten de kinderen “Der Uni auf den Kopf”, zo staat op de rode T-shirts van de kinderen te lezen. Ze krijgen les van dokters, proffen, mogen een hoop proeven en tests doen en na de verdienstelijke poging van het rectoraat om een kindvriendelijke speech te houden, krijgen ze op het einde zelfs een oorkonde.

Vader, een Roemeen, en moeder, een Servische, waren nog nooit op een universiteit geweest. De organisatie had dit jaar extra moeite gedaan om kinderen als Marijan naar de faculteit te krijgen. En de jongen voelt zich helemaal in zijn sas. In een operatiezaal legt een anesthesist hem en de andere kinderen uit hoe ze hart en longen onderzoeken. Marijan mag de nieren van een medeleerling onderzoeken en zijn hoofd ontploft bijna van opwinding.

Als ik hem na de les vraag wat hij wil worden, twijfelt hij geen seconde: dokter. Wie ben ik dan om daar aan te twijfelen? Inschrijvingsgeld betaal je niet in Oostenrijk. En van zodra je een diploma van het middelbaar op zak hebt, kan de universiteit je niet weigeren. Marijans vader vindt het fantastisch. Voor hem is het glashelder: “Mijn kinderen moeten de kansen krijgen die ik niet heb gehad.” Ik hoop dat ze lang genoeg blijven vasthouden aan hun wensen en dromen.

Bekijk de video hier.

Litouwen

“Waar ben ik nu beland?” Die vraag spookt door mijn hoofd gedurende de halve dag dat ik bij de Kacvingali’s ben. De familie woont in het westen van Litouwen op een afgelegen stuk grond, drie zandwegen -de ene al wat steviger dan de andere- verwijderd van het eerste stenen huis. De kinderen -ik tel er drie- zijn eerst wat schichtig. Could you blame them? Twee vreemdelingen met een tas vol rariteiten die hen komen begluren, je zou voor minder achter moeders schort duiken.

Sinds een jaar of twee heeft de familie weer contact met anderen. In een fijne samenwerking tussen verschillende landbouwersgezinnen uit de buurt, komen vaders en moeders om de zoveel tijd samen in het dorp. Om, op zijn Europees gezegd, “best practices” uit te wisselen. Of melk van de geiten. Of wol van de schapen. Maakt niet uit. Zolang ze maar praten en elkaar het gevoel geven ergens deel van uit te maken. Want na jaren van afzondering is zelfs een gewoon gesprek geen evidentie, laat staan een cameraploeg uit het exotische Brussel.

Ik haal de zak met clichés boven en vis er geheel onverwacht uit: ook dit is Europa. Cliché of niet, ik was behoorlijk onder de indruk. De jongste van de drie, een meisje van een jaar of vijf, durft eindelijk dan toch dichter te komen. Voortdurend kijken de kinderen mij, dan weer elkaar aan. De oudste, 13 schat ik, is nog het meest op z’n ongemak.  Maar hij was het wel die ons in alle geheimzinnigheid zei dat hij de stad in wou, weg van het dorp. Nu vader en moeder nog overtuigen.

Bekijk de video hier.

Slovenië

Tomi zit aan de methadon. De ochtend dat we hem volgen giet hij op een dikke twee uur vier halve liters bier naar binnen. “Ik ben een rustige drinker,” zegt hij, “om wat in de stemming te komen.” Bij de eerste twee blikken hoopte ik nog hem te kunnen geloven, maar zijn opgezwollen wangen waren me iets te duidelijk.

Tomi neemt ons mee naar Rog, een kraakpand zoals je verwacht dat het er een is: honden, veel honden, ingeslagen ruiten, veel graffiti, 40-jarige hangjongeren, maar een fantastische plek. Veel te lang verlaten en dus verloederd, maar schitterende ruimtes en prachtige hoekjes waar mensen echt hun tijd in hebben gestoken. Hier loopt Tomi veel rond. Hij toont ons plekken waar hij graag foto’s neemt.

Sinds 2005 werkt Tomi als huisfotograaf voor de daklozenkrant, Kralje Ulice, Kings of the Street. Hij schrijft artikels over zijn leven en dat van zijn maten. Hij vertelt ons zijn verhaal op het dak van het kraakpand, met uitzicht over de stad, zijn stad. Hij vertelt er ons ongedwongen over zijn verleden. Zijn drugsverslaving, zijn tijd bij het Kroatische leger, de wapen- en drugssmokkel (waar trouwens veel mensen daar niet vies van waren) en de onvermijdelijke tijd in de gevangenis.

Tomi komt er niet meer bovenop. Alleszins niet op de manier waarop wij dat hopen, of willen. Maar hij kan zijn verhaal kwijt. “Drugs waren een hobby voor mij. Nu vertel ik verhalen.”

Bekijk de video hier.

Ijsland

Agusta zit al bijna 20 jaar in de psychiatrie. In het circuit van de instituten werd ze van de ene op de andere pillenreeks gezet. En de pillen doen hun werk. Als ze wandelt hangt haar hoofd wat naar rechts en haar mond trekt soms een beetje scheef. Tot een paar maanden geleden wist ze eigenlijk niet eens echt wat er scheelde. Zelf houdt ze het op een gebroken hart.

Eind vorig jaar vertelde Agusta’s nicht haar over een dagcentrum voor geesteszieken in Reykjavik. Als ik er binnenkom, zie ik Agusta afwassen. Naast haar staat een vrouw soep te maken en even verder toont een meisje haar verzameling vingerhoedjes. Geen witte jassen, geen naamkaartjes, geen typische alcoholgeur. De vrouw die staat te koken vraagt me wat ik gestudeerd heb. Een gewoon gesprek, lijkt het wel. Ik loop naar de tafel waar het meisje met de vingerhoedjes zit. Ze ziet er wat bleek uit en er is wel iets in haar blik dat me doet vermoeden dat zij een van de gasten is. Ze vertelt me dat ze ook een film mag maken. Allemaal kleine verhalen over armoede die ze hier in Reykjavik wil oprapen en vastleggen.

Ik zie mensen schilderen, ik zie mensen achter de computer zitten, ik zie mensen breien, koken en praten. Of gewoon zitten. Iedereen die binnenkomt mag iets doen of niets doen. Voor de ene werkt het, voor de andere niet. Maar dat tikje zelfvertrouwen dat er zo lang telkens weer afgeschuurd werd, wikkelt zich nu zachtjes rond hen als een warm kleed.

Een paar maanden geleden vond Agusta de moed om haar dokter te vragen wat ze nu precies had. Hij schreef iets op een kaartje en spelde het op haar hemd. Schizofrenie, stond er op te lezen.

Bekijk de video hier.

Slovakije

We zitten op 10 km van Bratislava. Augustin en Jelka, twee dakloze 50-ers, hebben ons net een heerlijk sappige meloen gesneden. De vertaler, fixer en ik zitten aan een tafel in een hut, amper groot genoeg om goed en wel in rond te draaien. Maar het koppel ontvangt ons als echte gasten. Zelfs het vork waarmee we de meloen naar binnen slurpen wordt nog gauw onder de piepende waterpomp afgespoeld.

Buiten in het hoge gras liggen hun drie honden te genieten in de zon. Bij de minste beweging van een van ons schieten ze recht en blaffen ze ons omver. Zonder die ketting was ik wellicht iets lichter teruggekomen. Maar de beesten doen eigenlijk gewoon hun werk: de vreemdeling spotten en blaffen zo hard ze maar kunnen. Het lapje grond van Augustin en Jelka ligt namelijk naast een bouwterrein. De eigenaar vond het een goed idee om hen daar te laten wonen. In die kleine hut midden de verwilderde tuin leeft het koppel nu. Als een soort van levende vogelverschrikkers houden ze samen met hun drie honden een oogje in het zeil.

De twee staan weer buiten aan de waterpomp. We hebben nog een paar beelden nodig van het koppel dat staat af te wassen. We willen dat typische geluid van een waterpomp, een geluid dat ik me hoogstens van bij de boeren uit m’n geboortedorp herinner. De honden worden weer helemaal gek. Met z’n rauwe stem sist de kleine Augustin de beesten recht in hun hok. En luisteren doen ze, al was het maar tot de gastheer zich weer omdraait en verderpompt.

Bekijk de video hier.

Luxemburg

Ettelbrück, 30 km ten noorden van Luxemburg stad. Ik sta met Felipe, de jonge kerel vol tattoos die ik volg, in een Portugees café. Hij en de andere leden van zijn hiphop-groep komen daar om de zoveel tijd een bruine Leffe drinken. En rappen natuurlijk. Maar eerst de obligate handshakes waar ik al niets meer van snap, en een gaandeweg ruwere omgang om het op de juiste manier met de heren te vinden. Ik krijg ook nog even het aanbod om een videoclip voor een van de bevriende rappers te maken, maar ik weet niet of ik klaar ben voor fast cars en juicy ladies.

Felipe heeft zijn aangepaste muziekdoos mee, en de jongens beginnen er aan. Ik ben behoorlijk onder de indruk. Als een gerodeerde estafetteploeg geven ze elkaar het woord door, en ieder in zijn stijl loopt de 400 meter om de stok dan weer feilloos aan de ander door te geven. Ze bespelen de camera alsof ze nooit iets anders hebben gedaan en als de een staat te rappen, staat de ander naast of achter hem, te briesen als een stier. No messing with these guys.

Een paar uur ervoor stond ik nog te kijken hoe Felipe zijn job deed. Zachtmoedig, eerlijk, kalm, open, ontzettend open. Zo stond Felipe de aftakelende oudjes te verzorgen. Hij nam hen mee in de tuin van het home, tot bij de schapen en de konijnen. Hij lepelde hen een ijsje binnen en zong Luxemburgse liedjes met hen. Het klinkt als een vreselijk goedkope Hollywoodproductie die elk stroperig cliché uitmelkt tot er niets meer van overschiet. Met zo’n beeld voor ogen stond ik daardan in Ettelbrück, Felipe vs Felipe. Ik ben blij dat ik af en toe nog eens buitenkom.

Bekijk de video hier.